. Religieuze dichtkunst I. - RK Johannes de Doper

Religieuze dichtkunst I.

Joost van den Vondel
In de 16de eeuw was Anna Bijns een bevlogen strijdster van de Contrareformatie. Zij zag in Luther weinig goeds, onder andere omdat hij voorstander was van het ‘vellen (afbreken) van cloosters, clusen, cellen en capellen’. Al met al was er volgens haar en andere trouw gebleven katholieken ‘meer suers dan soets’ door de Hervorming ontstaan.
In de 17de eeuw – de ‘Gouden Eeuw’ – was Joost van den Vondel één van onze grootste Renaissance dichters. Nadat hij zich tot het katholicisme had bekeerd, schreef hij een schitterende lofzang op de Eucharistie in ‘Altaergeheimenissen’: “Hier wist Hij af de tranen in de noot / Hier leeft het hart in troost, hier sterft de doot.”

‘Dichterlijke vrijheid’
In 1678 schreef Jan Luycken het boekje ‘Jesus en de ziel’, onder invloed van het Piëtisme, een stroming onder de Hervormden die streefden naar verinnerlijking van het godsdienstig leven. Hij dichtte: “Maar toen Gy u beliefde te openbaaren / Toen zag ik niets van booven nedervaaren / Maar in de grond van mijn gemoed / Daar wierd het liefelyk en zoet.”
Uit de 19de eeuw stamt het beroemde ‘De Moerbeitoppen ruischten’ van de predikant Nicolaas Beets. In een literair tijdschrift had iemand de ‘dichterlijke vrijheid’ genomen om dit vers in de grammaticaal tegenwoordige tijd om te zetten. Hij schreef erbij dat hij deze versie bad, als hij ‘s nachts niet kon slapen. Het hielp hem beter dan een slaapmiddel! Daarom wil ik het u niet onthouden.

De moerbeitoppen ruisen

De moerbeitoppen ruisen Hij laat zijn vrede dalen
God gaat voorbij Op ziel en zin;
Nee, niet voorbij, hij toeft Ik voel zijn vaderarmen
Hij weet wat ik behoef Mij koesteren en beschermen
En spreekt tot mij; En sluimer in.

Spreekt tot mij in de stille De morgen die mij wekt
De stille nacht; Begroet ik blij.
Gedachten die mij kwellen Ik heb zo zacht geslapen
Vervolgen en ontstellen, En Gij, mijn schild en wapen
Verdrijft Hij zacht. Zijt nog nabij.

Louise Leneman

Geef een reactie