Ontstaan van kerkhoven

Hierin bracht de christelijke prediking een verregaande verandering. Zo bepaalde Karel de Grote op het concilie van Paderborn in 784 voor de pasbekeerde Saksen: ‘Wie het lichaam van een gestorven mens naar de wijze der heidenen door vlammen doet verteren en de beenderen verbrandt tot as, die zal onthoofd worden. Wij bevelen dat de lijken gebracht zullen worden naar de kerkhoven en niet naar de grafheuvels van de heidenen.’ Het graf op kerkhoven betekende de aanwezigheid van de overledenen in de levensgemeenschap, maar de angst hiervoor werd weggenomen door de vroegchristelijke leer van de verrijzenis van de doden. Verder heeft de martelarenverering van de oude kerk een belangrijke rol gespeeld. De martelaren waren in de vervolgingstijd her en der buiten de woongemeenschap begraven. In het begin van de 4e eeuw kregen de christenen onder keizer Constantijn vrijheid van godsdienst. Toen bracht de verering van de martelaren de christenen ertoe basilieken of kapellen boven het graf van de heiligen te bouwen, waar ze tot hen konden bidden en Eucharistie vieren. In de vroege middeleeuwen streefden de christenen ernaar om zo dicht mogelijk bij het graf van een heilige ofwel zijn relieken begraven te worden. Er zou een heilzame werking van uitgaan. Dit betrof vooral een elite zoals bisschoppen, pastoors, burgemeesters en adellijke personen.

Graven in kerkvloeren zijn nog een restant van dit geloof. Pas in 1827 en 1869 kwamen er in Nederland wetten tot stand die het begraven in kerken verboden. Het grote aantal gewone burgers werd al in de middeleeuwen rond het kerkgebouw begraven. Hiervoor werd een grondgebied afgebakend dat het kerkhof werd genoemd en door kerkelijke zegening als gewijde aarde gold. Er zijn ons vanaf de 16e eeuw stenen grafkruizen van vooraanstaande of rijke families overgeleverd, maar van gewone gelovigen zijn vaak alleen de namen in begrafenis- en jaargetijdenboeken bewaard gebleven.

Vanwege de beperktheid van de kerkhoven bij kerkgebouwen en de problemen van de ruimtelijke ordening ontstonden er vooral vanaf de 19e eeuw algemene begraafplaatsen buiten de kom van de gemeente. Hiermee ging een belangrijke symboliek verloren. Een graf in of nabij de kerk betekende immers niet alleen een verbondenheid met de kerkpatroon, de beschermheilige. maar ook en vooral de band met de levende geloofsgemeenschap die in de kerk de Eucharistie kwam vieren.

Toon Brekelmans

Kerkhistoricus

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.