Tekenen, symbolen en handelingen brengen ons geloof tot expressie

Aan het begin van de paaswake wordt de paaskaars ontstoken en onder de aanroeping ‘Licht van Christus’ de kerk binnengedragen. Deze lichtritus maakt duidelijk dat Jezus uit de dood is opgestaan en als het nieuw licht dat ons verlicht, onder ons is verschenen.

Teken van de Heer
Vanaf de tijd dat de Kerk het paasmysterie meer historiserend benaderde, is de paaskaars het teken geweest van de Heer die na zijn verrijzenis ‘gedurende veertig dagen verscheen’ aan de apostelen. Als expressie daarvan klonken in het evangelie van de zondagen na Pasen de verschijningsverhalen uit het evangelie van Johannes. Daarom doofde men op Hemelvaart, ten teken dat Jezus definitief bij zijn Vader was, de paaskaars na het evangelie van de Hemelvaart. De paaskaars fungeerde zo als een dramatiserend element in de liturgie.
In de loop van de tijd kreeg de paaskaars een plaats in de doopkapel, een verwijzing naar het paasmysterie waarin de dopeling deelt door zijn doopsel. Symbolisch kwam dit mede tot uiting bij de overhandiging van de doopkaars, het licht van Christus, dat genomen werd van de paaskaars.

‘Eén grote zondag’
Nu mede op grond van de bijbelse gedachte van de vijftig dagen de paastijd gezien wordt als een aaneengesloten periode en deze “in vreugde en blijdschap gevierd wordt als was het één feestdag of liever één grote zondag” (Normen liturgisch jaar, nr. 22), blijft de paaskaars branden tot en met Pinksteren en wordt niet meer gedoofd op het feest van Hemelvaart van de Heer. Daarna kan deze kaars een plaats krijgen in de doopkapel vanwege haar symbolische functie in de doopviering.
Bij dezelfde liturgievernieuwing is in de Constitutie over de liturgie bepaald dat “De ritus van de uitvaart duidelijker het paaskarakter van het christelijk sterven tot uitdrukking moet brengen”. Vanwege deze verwijzing naar het paasmysterie dient voortaan de paaskaars ook bij de uitvaartliturgie een plaats te krijgen.
Het paasmysterie wordt echter ook elke zondag herdacht, zoals dezelfde Constitutie (nr. 106) zegt: “Het paasmysterie wordt door de Kerk, krachtens apostolische overlevering die teruggaat tot de eigen dag van de verrijzenis van Christus, telkens gevierd op de achtste dag, die terecht dag des Heren of ‘zondag’ wordt genoemd.” Zo is op vele plaatsen het gebruik ontstaan om als verwijzing naar het paasmysterie de paaskaars elke zondag te ontsteken, ofschoon dit rubrikaal niet is voorzien.

Evert de Jong

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.