. 29C 2010 Ex 17: 8-13 en Lc 18 : 1-8 - RK Johannes de Doper

29C 2010 Ex 17: 8-13 en Lc 18 : 1-8

We zouden dat verhaal verkeerd kunnen opvatten. Dan kom je uit bij priesters die wapens zegenen, voordat ze gebruikt gaan worden, bij psalmverzen die op de lopen van de geweren worden gegraveerd, of bij kerkelijke leiders die bidden voor het welslagen van kruistochten. En telkens als ik dit verhaal tegenkom, denk ik bij mijzelf: maar het kan toch niet Gods bedoeling zijn, dat, zolang wij maar tot Hem bidden, Hij wel zal zorgen dat onze vijand wordt vernietigd. Hij is toch een God van liefde en vrede. Het is al erg genoeg, dat wereldwijd zijn naam inzet is van bloedige conflicten! Hoe zit het met dit verhaal?

 

Laten we eerst eens naar dit verhaal kijken met de ogen van de geschiedenis. Wie was Amalek? Amalek was vijand van Israel, ooit in een concreet en aanwijsbaar verleden. Toen Israël nl. uit Egypte wegtrok, waren het de Amalekieten, die probeerden om dat kleine volkje van Joodse slaven, dat nog maar net z’n vrijheid had verkregen, in de pan te hakken. Maar ze deden dat op een laffe manier: ze vochten niet met de krijgers van Israël, maar ze beslopen stiekem de achterhoede van het volk, dat onderweg was. En in de achterhoede lopen nu eenmaal altijd de zwakken: de kinderen, de oude mensen en de zwangere vrouwen. En de Amalekieten sloegen daar telkens hun slag: die zwaksten uit de groep waren keer op keer hun slachtoffers (zie Deut 25: 17-18).

 

Dat heeft Israël zich altijd herinnerd. En in de loop van de geschiedenis is Amalek veel meer geworden dan een historisch concreet volk. Amalek werd als het ware de verzamelnaam voor iedere vorm van vijandigheid tegen het volk van God. En het is de gemene vijand. Niet de vijand die jou frontaal aanvalt, maar die je eerst voorbij laat trekken en je dan in de rug aanvalt, daar waar de zwaksten uit je groep proberen om het tempo bij te houden. Amalek is alles en iedereen die trapt op de weerlozen, die de sterke probeert te breken door zijn kinderen te doden of onschuldige burgers te gijzelen.


We kennen allemaal de heftige gevoelens van verontwaardiging en radeloosheid die ons overvallen als we van zulke laffe daden in de media horen. En wat ga je dan doen: je vloekt misschien of je gaat bidden: en in beide gevallen betrek je God bij het probleem. Mijn, God – hoe durven ze zoiets te doen. Dat is het wat Mozes op de berg doet: hij balt als het ware zijn vuisten tegen de hemel.

 

Maar intussen bindt Jozua de strijd aan – en dat moet ook gebeuren. We moeten soms vechten voor het goede. Tolerantie of politieke correctheid zijn goed, maar er is ook zoiets als heilige ijver. En daar heb je de hemel bij nodig, want als je vecht zonder te bidden, dan voer je onherroepelijk een vuile oorlog. En als je bidt zonder te vechten, dan gebeurt er niets. Dan staan de zwakken en meest kwetsbaren onder ons nog steeds onder de dreiging van Amalek. En die dreiging is in iedere tijd actueel: de macht van het geld, de dwang van de bureaucratie, de ideologie van de partij. Voorbeelden te over.

 

We zien in het verhaal van Mozes op de berg nog iets anders dat bij bidden belangrijk is:  bidden doe je niet alleen, bidden doe je samen, zoals die twee dienaren de armen van Mozes omhoog houden en steunen.

 

We moeten dus niet bidden, zonder dat we vechten en we moeten vooral niet vechten, zonder dat we bidden, en nooit vrede sluiten met Amalek, want de weerlozen in onze samenleving hebben het nodig dat wij voor ze opkomen.

 

Nu dan kort nog even naar het evangelie: Jezus sluit zijn parabels over het bidden af met een opvallende vraag: Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?  Voor Jezus hangen bidden en geloven ten nauwste samen. Hier zie je dus eigenlijk net zo’n twee-eenheid als bij dat verhaal van Mozes en Amalek: je moet niet vechten zonder te bidden en je moet niet bidden, zonder dat je strijdt voor het goede. Zo kun je – zegt Jezus niet bidden zonder dat je gelooft: het geloof is de oorsprong van ons gebed, zegt Augustinus en hij zegt er dit van: laten we dus geloven om te kunnen bidden en laten we bidden dat het geloof, waarom wij bidden niet bezwijkt. Amen.

Geef een reactie